ERFGOED EN VRIJWILLIGERS:

bij de inhuldiging van de gerestaureerde vlaszwingelmolen 'Preetjes Molen' in Heule


De natuur en het cultureel erfgoed van een regio maken binnen het lappendeken van Europa de herkenbaarheid van die regio uit. Men moet maar eens rondkijken met welke elementen de verschillende Europese landen en cultuurregio's zich in hun folders naar de buitenwereld presenteren. Ook op lokaal vlak identificeren gemeenschappen en individuen zich veelal aan een monument, een natuurelement: een herkenbaar stukje omgeving dat we 'erfgoed' zijn gaan noemen. Het is niets meer - maar ook niets minder ! - dan het waardevolle dat wij van voorbije generaties toevertrouwd kregen, en waarvoor wij de verantwoordelijkheid dragen om dit onder de best mogelijke omstandigheden over te dragen naar de volgende generaties.

 

Een niet-hernieuwbare grondstof

Het natuurlijk en cultureel erfgoed is één van de waardevolste en zeldzame 'grondstoffen' die onze regio, naast zijn kunde en kennis (zijn 'brains') bezit - en die we niet zomaar mogen verspillen. Het is geen hernieuwbare grondstof. En, het prijskaartje van verlies van natuurlijk of cultureel erfgoed kan niet zomaar in financiële termen, of in een kosten-baten-analyse becijferd worden. We kunnen er geen schade-verzekering tegen afsluiten.

Een historisch monument dat vernietigd wordt door verwaarlozing of door oorlogen (kijk maar eens naar wat in voormalig Joegoslavië gebeurde) kan misschien wel gereconstrueerd worden, maar de oorspronkelijke materie als drager van eeuwen menselijke geschiedenis zijn we kwijt. Van een schilderij dat door brand, schimmel of vandalisme vergaat, kunnen we wel nog een goede foto of desnoods een nageschilderde kopie bewaren, maar de oorspronkelijke genialiteit van een Van Eyck, Rubens, Breugel of Rembrandt is onherroepelijk verloren. Een natuurgebied dat door ontginning of wanbeheer vernietigd wordt, een dieren- of plantensoort die uitsterft kan een even groot (of misschien zelfs groter) maatschappelijk verlies betekenen - maar toont ook aan hoe kwetsbaar elk levend wezen is, óók de mens. Natuurbehoud stelt de problemen van onze laatindustiële maatschappij, die gedurende de voorbije anderhalve eeuw voortdurend roofbouw pleegde op zijn biotoop.

Natuur en cultuur staan vandaag in relatie tot mekaar. De verzuring van het milieu tast niet alleen onze bossen aan, ook de natuursteen van onze kathedralen kalft erdoor af, zelfs oude documenten bewaard in musea en archieven hebben er onder te lijden, en tenslotte is onze gezondheid eveneens erdoor bedreigd.

Het behoud van het cultureel erfgoed, van een stukje natuur, van bedreigde fauna en flora is niet zomaar een nostalgie naar het verleden of naar de romantiek van de natuurlijke leefwijzen. Het is geen fetichisme voor zeldzame dingen. Het is geen belegging in dingen die veel geld waard zijn.

Het is, zoals de Britse 'Civic Trust' het sedert jaren formuleert: 'Caring for Places where people live and work', een zorg voor de dagdagelijkse omgeving waarin mensen zich bewegen, werken, leven, zich ontspannen. Een zorg voor de kwaliteiten van onze samenleving.

Het behoud van onze historische monumenten hangt niet - en zelfs niet in hoofdzaak - af van technische, financiële, of architecturale mogelijkheden of beperkingen.

 

Een erfenis

Monumentenzorg is op de eerste plaats een maatschappelijk gebeuren. Vanuit een visie op de samenleving, op verleden, heden en toekomst ervan, op omgeving en omgevingskwaliteiten ("qualité de vie") is men al dan niet, of slechts in bepaalde mate begaan met "erfgoed". De wijze waarop de erfgenamen omgaan met de erfenis van de erflaters, vertelt vaak meer over de erfgenamen dan over de erfenis of over de erflater...

Omgaan met industrieel erfgoed getuigt van eerbied voor 'arbeid' vroeger en vandaag. Wie geschiedenis belangrijk vindt en uit de geschiedenis lessen en ervaringen tracht te distilleren, blijft niet onbewogen voor de materialisatie van dat verleden om ons heen. Wie aandacht heeft voor de molen, heeft ook aandacht voor de aanwezige open ruimte in een verstedelijkt gebied, voor die oude kerkwegel die nog op de Atlas der Buurtwegen voorkomt.

Mensen gaan elk op hún manier, vanuit hún belangstellingssferen, met hún motivaties om met het erfgoed dat hen omringt.

 

Het zout in het brood

Monumentenzorg, het behoud van het erfgoed, drijft op motivaties en op de belangstelling van mensen. Met andere woorden: het erfgoed heeft een breed maatschappelijk draagvlak nodig. Sedert 1975, het Europees Jaar voor het Bouwkundig Erfgoed, werd de zorg voor het erfgoed eenieders zorg, niet meer de bekommernis van enkel een intellectuele of sociale elite. Monumentenzorg wordt eenieders zorg.

Kijken we even naar Groot-Brittannië en de andere Angelsaksische landen die vaak als wegbereiders en voorbeelden aangehaald worden. Sedert meer dan een eeuw zijn organisaties en verenigingen er betrokken bij de instandhouding van het erfgoed. De 'Society for the Protection of Ancient Buildings' (SPAB) werd in 1877 opgericht door William Morris. De bij ons ook bekende 'National Trust' (die binnenkort ook in België een leden-afdeling zal organiseren) kwam in 1895 tot stand. Een recente survey toonde aan dat aan de overzijde van het kanaal méér dan 3000 verenigingen en werkgroepen zich dagdagelijks inzetten voor één of andere vorm van cultureel erfgoed. Enkele bezitten een lange traditie, zoals de Victorian Society, maar de meeste andere ontstonden vanaf het einde van de jaren 1960. Om er maar enkele te noemen: de 'Church Monuments Trust', de 'Folly fellowship', de Schotse Vereniging van de Vrienden van de Huizen met de Strooien Daken (Cairdean na Taighean Tughe), de 'Wind and Watermills Society', de 'Trevithic Society' voor het behoud van het industrieel erfgoed in Cornwall, de 'Kenneth and Avon Canal Trust', de 'Railway Preservation Trust (met meer dan 100 afdelingen), de British Aviation Preservation Council (met meer dan 130 afdelingen) en onze zustervereniging, de eerbiedwaardigde 'Association for Industrial Archaeology'. Dit zijn maar enkele voorbeelden van het rijke werkveld waar vrijwilligers betrokken zijn met hún erfgoed.

Behoud van cultureel erfgoed verschuift in heel Europa, en recent ook in Vlaanderen, van de overheid naar het werkveld van privaatrechtelijke organisaties. Vele daarvan zijn kleinschalig, gericht op hun eigen omgeving, of thematisch gericht op één onderwerp.

Monumentenzorg is niet langer een gecentraliseerd gebeuren, wordt niet meer van boven naar onder geleid. de grote 'National Trust' heeft naast zich talloze lokale 'heritage trusts' en 'preservation societies' gekregen. Monumentenzorg speel zich meer en meer af op het lokale vlak: belangstellenden willen hún molen, hún kerktoren, hún kapelletje, hún brouwerij, hún ruïne of hún kasteel redden en voor het nageslacht behouden. Petitiecampagnes, sponsoring-acties, zelfwerkzaamheid 's avonds of tijdens de weekends, en véle vergaderingen zijn het beeld geworden van de hedendaagse monumentenzorgers. Vrijwilligers betrekken anderen bij hun inzet: buren, kennissen, collegae.

De groei van de beweging zit thans vooral in die vele kleine en grotere plaatselijke 'local amenity trusts' (zoals deze in Groot-Brittannië o.m. gebundeld en gestimuleerd worden door de Civic Trust). Monumentenzorg beweegt zich meer en meer in de richting van de maatschappelijk verbonden en ruimere 'Burgerinitiative' zoals reeds aan het midden van de jaren 1970 (o.m. door Prof. Roland Günter, Oberhausen) voorspeld werd.

Maar daarnaast wordt de zorg voor het erfgoed ook een internationaal gebeuren, waar belangstellenden en vrijwilligers mekaar ontmoeten, de hand reiken over de grenzen van landen en continenten heen. Vele acties werden jaren geleden gestimuleerd of gesuggereerd door Unesco of door de Raad van Europa, nadien door vrijwilligersorganisaties op- of overgenomen. Jongeren trekken door Europa om een handje toe te steken in restauratiekampen van 'REMPART' (Frankrijk), 'Jeunesse et patrimoine', 'Jeugd en Kultureel Erfgoed'. Of vrijwilligers bieden via 'Patrimoine sans Frontières' een helpende hand in Sarajevo, Beirout, Cambodja of Oezbekistan. Of trachten hun bijdrage te leveren via het oorspronkelijk Amerikaanse, maar gaandeweg meer en meer internationale 'World Heritage Fund'.

Het initiatief van individuen, van verenigingen en organisaties is niet alléén maar het zout in het brood. Wil monumentenzorg verder groeien, zeker in deze moeilijke tijden van budgettaire beperkingen, dan zal monumentenzorg meer en meer aandacht moeten hebben voor de inzet, de wensen en verzuchtingen van de talloze vrijwilligers die zich dag aan dag gedurende jaren na elkaar engageren.

 

Vrijwilligers in Vlaanderen

In de sector 'industrieel erfgoed' heeft de Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie steeds gewezen op de noodzaak om de lokale basis éérst uit te bouwen, om lokale belangstellenden te betrekken bij en te motiveren voor het behoud en de ontsluiting van industrieel en technisch erfgoed. Zij was op dat vlak een voorloper. Initiatieven die tien of meer jaren geleden (met de steun van de VVIA) opgestart werden, zien thans langzamerhand de eerste resultaten van hun inzet. De vzw 'Ecomuseum en Archief van de Boomse Baksteen' werd in 1985 opgericht, verwierf enkele jaren geleden met eigen middelen een steenbakkerij-site, en is thans met de restauratie bezig. De vzw 'Werkgroep Industriële Archeologie Westhoek' (thans 'Westhoek Monumenten') bestaat ook sedert 1985, en volbracht de restauratie van de brouwerij-mouterij 'De Snoek'. Beide organisaties waren laureaten van de Henry Ford European Conservation Awards, de laatste behaalde onlangs de 'Prijs van het Vlaams Monument'. In 1986 werd de vzw 'Herisemvrienden' opgericht, die fase na fase de restauratie van een voormalige kartonmolen in Alsemberg realiseert. In West-Vlaanderen zijn er nog de vzw 'Vlasvallei', de 'Stoomstichting West-Vlaanderen' vzw, de 'Oude Trekker- en Motorenvereniging', de vzw 'Poort van de Stad'. In Oostende onderhandelen de Werkgroep Industrieel Erfgoed Middenkust en de VVIA voor het bekomen van de erfpacht van de oude creosoteerwerf van Belgacom. In Poperinge werd zopas de vzw 't Zwynland opgericht die zich bekommert voor de oude brouwerij met dezelfde naam. In Lichtervelde groeit een initiatief rond een historische olieslagerij, boorzagerij en graanmaalderij.

In 1992 werd de unieke vlaszwingelmolen van Heule in erfpacht genomen door de vzw 'Vrienden van Preetjes Molen'. De resultaten van hun inzet zien we vandaag.

 

Engagementen

Vrijwilligers práten niet alleen meer. Ze engageren zich meer en meer, nemen verantwoordelijkheden op. De formule van erfpacht werd het eerst, en op de meest uitgebreide wijze uitgetest en toegepast in de sector der industriële archeologie.

'Zich engageren' betekent dat men minstens vijf jaar en meestal langer voor dat éne doel vecht: tegen ongeloof, tegen trage ambtelijke molens, tegen onbegrip van administraties en omgevingen,. Maar dat men ook vecht om de nodige centen bijeen te schrapen, om mensen te vinden die hun steentje willen bijdragen. 'Zich engageren' betekent dag en nacht zichzelf, de naaste familieleden, de omgeving overtuigen en moeten overtuigen dat de inzet hét waard is. 'Zich engageren' betekent de kennis en de ervaringen van verschillende individuen samenvoegen voor dat ene doel. 'Zich engageren' betekent de ene dag postzegels plakken, de andere dag een dossier in twaalf exemplaren opstellen, of een verfkwast of truweel ter hand nemen.

'Zich engageren' betekent vooral: andere mensen voor de goede zaak winnen ('dag na dag'), de kring verbreden, het sneeuwballetje aan het rollen houden. 'Zich engageren' betekent dat "één vonk een grote brand kan veroorzaken"...

Het aantal uren dat door vrijwilligers in de sector industriële archeologie, monumentenzorg, cultureel erfgoed jaarlijks gepresteerd wordt, is niet te besommen. De door vrijwilligers ter beschikking gestelde middelen en mogelijkheden worden jammer genoeg nooit in een balans in rekening gebracht. Hoeveel telefoontjes en fotokopies worden nooit aangerekend, hoeveel kilometers gereden zonder enige vergoeding. Tijdens een recente studiedag in Groot-Brittannië werd beweerd dat voor elke penny die de overheid in een project steekt, de vrijwilligersbeweging minstens drie "onzichtbare pennies" investeert - niet zichtbaar in de traditionele boekhoudingsmethoden. Daarom zouden vrijwilligersverenigingen een 'andere' boekhouding moeten voeren, waarin de prestaties zowel op de aktief- als op de passiefzijde besomd worden, als argument naar overheden en sponsors.

 

Aanmoedigen

De maatschappij heeft er maar baat bij, wanneer de overheden deze inzet aanmoedigen, bevorderen en stimuleren. Zowel de Vlaamse Gemeenschap, de provinciale overheden, als de gemeentebesturen moeten de inzet van vrijwilligers voor het cultureel en natuurlijk erfgoed ernstig nemen. Ze moeten aanvaarden dat in lokale en thematische verenigingen een schat aan kennis en ervaringen vergaard wordt en beschikbaar is. En dat het individueel en collectief engagement er zeker niet ontbreekt. Valkuilen en hindernissen die het parcours voor deze verenigingen moeilijk maken moeten op korte termijn opgeruimd worden, wil men de beweging niet afremmen of doen stilvallen.

Dit betekent concreet:

De afroming van de verenigingskas door BTW en andere belastingen is een pijnlijk gegeven, en maakt België zowaar uniek in Europa. Er is ook de aanslag vanwege de diensten van het kadaster, die op vzw's de volle pot van grondlasten verhalen van in erfpacht genomen en met veel moeite gerestaureerde sites. Zolang een site er ongebruikt bijstaat is zij van belasting op het onroerend eigendom vrijgesteld, eens gerestaureerd wordt de molen, brouwerij of steenbakkerij op volle waarde geschat en mogen verenigingen soms meer dan 50.000 frank per jaar aan grondlasten ophoesten. Dit betekent de inkomsten van minstens 5000 bezoekers à 50 frank, of de verkoop van een gelijkaardig aantal brochures of souveniertjes... waarop dan nog eens 6 of 21% BTW moet afgedragen worden !

We zijn nog ver van de toestand in sommige landen, waar vrijwilligers een belastingsaftrek krijgen op basis van het aantal vrijwillig gepresteerde en onbezoldigde uren...

Maar, laat ons niet treuren.

Ondanks alle kommer en kwel zal het engagement van de Vlaming voor zijn erfgoed voorlopig nog niet stilvallen. De motor zal alleen maar langzamer gaan draaien.

Resultaten zullen er regelmatig kunnen voorgelegd worden, zoals vandaag hier in Heule - en morgen naar ik hoop elders.

Het indraaien van deze unieke vlasmolen is niet alleen een hommage aan de rijke vlassersgeschiedenis van de streek, maar ook aan het initiatief, de inzet en het zwoegen van de mensen van de streek - zowel vroeger op het veld en in de roterijen, als nu in de vzw's die de sporen van dát verleden willen veiligstellen. Heel het team van de 'Vrienden van Preetjes Molen' moet in de hulde betrokken worden: voorzitter, secretaris, penningmeester, werkende leden, en... echtgenoten en familieleden die achter de schermen geduldig/verduldig de inzet van de partner hebben moeten verduren, ermee meegeleefd hebben, en ook bij tijd en stond de handen uit de mouwen 'mochten' steken.

 

 


(06.10.1996)

Gelegenheidslezing door A. Linters, voorzitter VVIA, op zondag 6 oktober 1996, tijdens de academische zitting ter gelegenheid van de inhuldiging van de gerestaureerde vlaszwingelmolen Preetjes Molen in Kortrijk (Heule)

back to homepage  VVIA / Flemish Association for Industrial Archaeology