INDUSTRIEEL ERFGOED

NU of nooit ?


 

Na de uitvinding van het vuur en de sedentaire landbouw door de prehistorische mens, betekende de industriële revolutie waarschijnlijk de grootste verandering en breuk in de geschiedenis. De energie- en grondstoffenstructuur, de wijze van aandrijven, produceren en zich verplaatsen, de organisatie van het dagelijkse leven en werken veranderde op korte tijd sneller en grondiger dan ooit sedert het ontstaan van de mensheid.

 

Slechts twee eeuwen

We realiseren ons te weinig dat dit nauwelijks twee eeuwen geleden gebeurde, een fraktie op de tijdschaal van de menselijke geschiedenis.

Vanaf de aanvang van de 19de eeuw werd in onze steden en op het platteland méér en groter gebouwd, dan in alle voorgaande eeuwen samen. Er werden méér energie en grondstoffen verbruikt dan ooit tevoren. Er werden méér produkten aan méér consumenten gesleten, dan voorgaande generaties ooit hadden durven dromen. Maar de bodem en de lucht werden ook meer vervuild, en er werden grotere afvalhopen opgeworpen, dan men zich had kunnen indenken. Reeds in 1865 schreef Guido Gezelle: "Ziet een keer: zwart stinkend water al onder, zwart stinkende rook al boven, vuiligheid zonder name, die de lucht bederft en 't water ondrinkelijk maakt voor menschen en beesten, dat komt uit de fabrieken..."

Net als de geschiedenis van andere perioden, of van andere landstreken, heeft de geschiedenis van de industriële maatschappij niet het heroïsche, het bewonderenswaardige dat de generaties van nadien ervan verwachten, of ervan maken.Het is een verhaal van mensen en gemeenschappen, die vanuit hun materiële mogelijkheden, hun technisch kunnen, hun ideeën en structuren, bouwden aan hun samenleving. Op die wijze beÐnvloedden zij hún en onze toekomst.

Of men dat verleden nu mooi, of afschrikwekkend vindt of voorstelt is post factum misschien niet het belangrijkste. Wel dat men zich bewust is van de weg die in de loop der eeuwen afgelegd werd, en hoe die weg naar vandaag en naar morgen leidt.

 

De industriële ontwikkeling van voorbije twee eeuwen heeft ons sociaal en cultureel patroon grondig bepaald.

Het bouwen met staal en beton, de moderne acryl-verven van onze kunstenaars, kunstvormen als fotografie en videokunst, het gelijktijdig kunnen communiceren met mensen van verschillende huidskleuren en in verschillende werelddelen, het reizen buiten onze atmosfeer of het met vakantie gaan op een paradijselijk eiland (en zelfs het fenomeen 'vakantie') en tal van andere zaken die wij thans als 'normaal' ervaren zouden twee eeuwen geleden met ongeloof of als tovenarij beschouwd worden.

Twee eeuwen geleden was een reis van Kortrijk naar Brussel een oncomfortabele dagvullende onderneming, over slechte en soms nog onveilige wegen. Thans zoeven we aan de maximum-snelheid over de E17 en E40, uitkijkend naar een rijkswacht-multanova, en sakkerend op de files rond Brussel...

Tweee eeuwen geleden was eten bewaren een opdracht op zich (een doorsnee-hesp bevatte toen 10 a 15% zout als conserveringsmiddel), betekende 'koken' een arbeidsintensieve bezigheid aan de haard, terwijl het huishouden alle aandacht en tijd opslorpte. Thans zetten we een diepvriesmaaltijd in de microgolf-oven, en de borden en het bestek achteraf in de afwasmachine...

Twee eeuwen geleden begon de dag bij het opkomen van de zon en eindigde hij wanneer het donker werd. Het levensritme deinde voort op het ritme van de seizoenen, met hun korte en lange dagen. Dat iemand midden in de nacht in een gezellig verlichte kamer voor een doosje naar het wereldnieuws van de dag zou kijken, konden (en durfden) onze voorouders zelfs niet veronderstellen !

 

"We moeten het verleden kennen, om het heden te begrijpen en de toekomst te beheersen" .

Tijdens voorbije eeuwen deden zich reeds twee industriële revoluties voor, kenden we minstens twee 'energie-crisissen', en bestonden er gelijkaardige economische golfbewegingen. Bij invoering van nieuwe technologieën moesten producenten zich omscholen, of werden zij uit het bestaande arbeidsproces verdrongen. De geschiedenis herhaalt zich nooit letterlijk, maar de studie ervan levert belangwekkend vergelijkingsmateriaal om de mechanismen en structuren die veranderingen en wijzigingen bepalen te begrijpen. In vergelijkbare sociale en economische situaties reageren groepen van mensen immers op vergelijkbare wijzen.

Aan het einde van het Ancien Régime waren de houtvoorraden in Europa zo drastisch geslonken, dat er zich in alle landen een psychologisch angst voordeden voor tekorten aan die basis-grondstof. Overal ging men dus op zoek naar nieuwe voorraden, werden boomplantingsaties-avant-la-lèttre ondernomen. Men zocht naar zuiniger technieken en materiaalgebruik. Men zocht naar ersatz en kwam uit bij steenkool als brandstof en ijzer als constructiemateriaal. Omdat ook de traditionele vormen van aandrijving niet meer voldeden, moest stoom de oplossing aandragen. Aan het einde van vorige eeuw deden zich precies dezelfde toestanden voor, toen de Europese steenkool- en ertsvoorraden uitgeput raakten. Niet alleen de ontdekking van de Limburgse mijnen maar ook de aanwending van nieuwe materialen (staal en nonferro), nieuwe technieken (gewapend beton en de vervaardiging van plastics) en nieuwe energievormen (waaronder de elektriciteit) stammen uit die periode. Een vergelijking tussen beide perioden, de economische en sociale conjunktuur van die jaren, en de recente 'Energiecrisis' is erg boeiend !

De bouw van de spoorwegen zo'n 150 jaar geleden betekende het verlies van een inkomen voor de talloze voerlui en ondernemers van postkoets-verbindingen. Protesten van boeren en eigenaars toen zijn vaak psychologisch te vergelijken met de huidige bezwaren tegen autowegen- en TGV-tracés.

Tegen de invoering van de vliegende schietspoel bij de wevers was in de loop van de tweede helft van de 18de eeuw geprotesteerd, en tegen de invoering van de eerste spinmachines en mechanische weefgetouwen enkele decennia later. Machines werden kapotgeslagen. De invoering van de eerste machines voor het mechanisch vervaardigen van schoenen in Izegem, deed in 1888 in deze stad ernstige rellen ontstaan, waarbij de thuiswerkers de initiatiefnemende fabrikant Polydoor De Coene zelfs tot uitwijken dwongen... De invoering van de eerste computers in de burelen en robots in onze fabrieken verliep ook niet steeds zonder protest van de werknemers.

 

Onze verantwoordelijkheid opnemen

'History is bunk' zei Henry Ford. Geschiedenis is onzin. En terwijl de ene Ford-T na de andere van de band liep, realiseerde hij ook één van de belangrijkste musea voor de geschiedenis van nijverheid en techniek ter wereld. In het Henry Ford Museum is thans een vollediger verzameling Europese stoommachines te zien, dan om het even waar in Europa.

Dit is een voorbeeld van de ambiguë houding die velen innemen tegenover de geschiedenis van de voorbije twee eeuwen. Hoeveel werknemers en kaderleden verzamelen immers vertederd de souvenirs van hun bedrijf of nijverheidstak, maar beweren - Ford achterna - dat enkel de toekomst telt en dat alles wat niet meer rendeert meedogenloos moet afgevoerd worden.

Een kenmerk van onze maatschappij is de uitermate snelle en nog steeds versnellende evolutie. Hierbij worden ervaringen van voorbije, doch vaak nog zeer nabije sociaal-technische industriële structuren en situaties op korte tijd afgeschreven, en gaan ze verloren. Hun wezen en hun impact worden uitgeveegd ("ausradiert"), vooraleer men in staat is hun ingrijpen op de ontwikkeling reëel te evalueren. Men dreigt het referentiekader van het gebeuren te verliezen.

Deze maatschapij vereist daarom, méér dan andere maatschappijen, een bijzondere inzet om de voorbije ervaringen meterieel en immaterieel te conserveren, te interpreteren en te valoriseren, zodat ze kunnen aangewend worden als een begrippenkader en als referentiepunten voor de verdere evolutie.

 

Cultuur is datgene waarvan we ons te laat bewust worden dat we het verloren zijn.

Elke maatschappij, elke periode uit de ontwikkeling van de mensheid, laat aan zijn 'erfgenamen' een 'erfenis' na. Het zijn vaak voorwerpen, documenten of herinneringen die van generatie op generatie overgedragen worden - of tenminste overgedragen kúnnen worden als de generaties dat belangrijk vinden.

De meest opvallende zijn de gebouwen, gebruiks- of cultusvoorwerpen, die bepaalde maatschappijvormen, hun sociaal-economische verhoudingen, hun ideologieën en opvattingen symboliseren. Griekse tempels, Romeinse amfitheaters, middeleeuwse kathedralen en de kastelen van de Franse vorsten zijn - net als fabrieksgebouwen ('les Châteaux de l'Industrie'), stations ('de Antwerpse 'spoorwegkathedraal') of beluiken - de tijdssymbolen die ons overgeërfd patrimonium vormen.

Het zijn de erfgenamen die moeten beslissen wat zij daarmee aanvangen.

 

In de loop van de jaren verruimden het begrip 'monument' en 'erfgoed'.

Enkele decennia geleden nog hechtten weinig historici waarde aan de klacht van een arbeider over zijn beluikhuisje, en werden technische en bedrijfsarchieven node bewaard. In de musea hield men zich zeker niet met de 'alledaagsheid' - thans een erg populaire term! - bezig.

Ook onze kijk op de bebouwde omgeving veranderde.

Pas onlangs kregen wij ook belangstelling voor de 'grote' architectuur van de recentere perioden: Horta, Balat, Hankar, Pompe, Van Huffel,... en anderen kregen hun eerherstel nadat tijdens voorbije decennia de sloophamers woest toegeslagen hadden. Op het ogenblik dat de Art Nouveau aan een herwaardering toe was, werd in Brussel het Volkshuis van Horta met de grond gelijk gemaakt, en belandden de ijzeren spanten daarvan op een braakliggende grond waar zij aan roest en schroothandelaren ten prooi vielen. Op het ogenblik dat de funktionele ijzerarchitektuur aan een herwaardering toe was, verdwenen onder luid protest 'Les Halles' in Parijs. Op het ogenblik dat de belangstelling voor de vroege betonarchitektuur internationaal sterk toeneemt, worden in Antwerpen de 'Koninklijke Stapelhuizen' in grote haast gesloopt.

Ook hier kan de vergelijkende geschiedenis boeiende mechanismen en achtergronden aanduiden.

 

De belangstelling voor het industrieel verleden en zijn erfgoed groeit thans sterk in alle landen.

Maar, de industriële ontwikkeling ligt nog te dicht bij ons. We ondervinden er nog te veel de gevolgen van. Milieuproblemen, fabriekssluitingen en vervallende industrieterreinen zijn geen gunstige voedingsbodem om het industrieel erfgoed tot een populair onderwerp te maken. Op een ogenblik dat de financiële middelen ontbreken en het beleid geen prioriteit legt bij cultuurconservering, bevindt de industriële archeologie zich uiteraard nog in de marginaliteit. De keuze tussen het bezuinigen op sociale voorzieningen, op de restauratie van een gotische kathedraal, of het behoud van het mijnpatrimonium of de Koninklijke Stapelhuizen in Antwerpen, is immers snel gemaakt, zelden in het voordeel van een onbegrepen erfgoed.

 

Toch moeten wij ons bewust zijn van de verantwoordelijkheid die wij voor ook dát erfgoed bezitten.

In het buitenland wordt zwaar geïnvesteerd in alle aspecten van de studie, het behoud en de valorisatie van het industrieel, technologisch en wetenschappelijk verleden.

Vlaanderen vertoont een ruime achterstand.

Er moet nu bereidheid aangekweekt worden tot investeren in deze materie, niet alleen in materialen, ruimten en globale investeringskosten, maar vooral in mensen die de kennis en het inzicht hebben om deze aspecten te ontsluiten en te valoriseren.

Dit is niet alleen een taak voor overheden en openbare besturen, maar ook voor de talloze organisaties en verenigingen die overal opgericht worden, maar vooral voor al diegenen die op de eerste plaats een verantwoordelijkheid dragen voor de voorbije en hedendaagse industriële ontwikkelingen: industriëlen, werknemers en hun organisaties, iedereen die op dit ogenblik leeft en werkt op de grondvesten van de industriële evolutie.

Onze streken bezitten een unieke achtergrond, en een buitengewoon belangrijk patrimonium.

We moeten het leren kennen, leren waarderen.

Het is aan ons om de mogelijkheden daartoe te scheppen, een verantwoordelijkheid die we thans niet meer kunnen of mogen ontlopen.

 


1992

(deze tekst is van de hand van A. Linters, voorzitter, en werd verschillende malen gebruikt o.m. ter gelegenheid van plaatselijke openingen van tentoonstellingen over industriële archeologie)

back to homepage  VVIA / Flemish Association for Industrial Archaeology